Vragen
en speuren naar antwoorden (soms m.b.v. AI)
en speuren naar antwoorden (soms m.b.v. AI)
Openstaande vragen
Na het doornemen van de informatie over het Ravels Kamp bleef ik toch met een aantal niet geheel beantwoorde vragen zitten. Op deze vragen zijn er voorlopig m.i. geen eenduidige antwoorden geformuleerd, ook niet na het raadplegen van enkele deskundigen terzake. Er is vaak sprake van tegenstrijdige informatie, minder extreem uitgedrukt: verschillende informatie die niet geheel compatibel is met elkaar.
Sommige uitkomsten hebben ook gevolgen voor de situering van de onderdelen van het kamp. De uitgestippelde wandelingen kunnen dus eerder gezien worden als het geven van historische informatie, gekoppeld aan sommige plaatsen waar het waarschijnlijk in de buurt is gebeurd….
In het volgende vind je een overzicht van de vragen, telkens gevolgd door elementen die bijdragen aan de twijfel en de gedeeltelijke beantwoording van de vraag. Bij elk element vind je een korte verwijzing naar de bron.
1 Situering van het kamp
2 De aanwezige troepen
3 Enkele onderdelen van het kamp
4 De verschillende legeronderdelen
5 Het leven in het kamp
1 Situering van het kamp
1a Inplanting van het kamp
De wandelingen zijn gebaseerd op de kaarten, ontworpen door de archeologen van Erfgoed Noorderkempen (S Delaruelle, Taxandria2018, p 83). Op de tekening hebben ze de situering van de kampen 1826-1827 uitgezet op het huidige kadaster. Deze kaarten komen van de Generale Staf en zijn te vinden in het Nationaal Archief den Haag. (Taxandria 2019 p 54 en 55 kamp 1826; p 66 kamp 1827)
Volgens een kaart uit 1831 zou het kamp echter meer zuidelijk kunnen ingeplant zijn. (Jan Meeusen, verwijzend naar de plaatsing van een ven tov het kamp) Alhoewel de kaart van de omgeving gemaakt voor het kamp van 1827 ook suggereert dat het meer zuidelijk ligt.
De kaarten van de Generale Staf Nationaal Archief Den Haag sluiten toch meer aan bij de tijd van de kampen zelf. Bovendien zijn ze van een bron die toch betrouwbare informatie zou moeten aanleveren.
In het kamp 1827 was een kapel voor rooms-katholieken opgericht. Deze staat ook op het plan. De kapel had een toren van 4m hoog, was in hout opgetrokken. Misschien dat de huidige plaatsing van kapellen een aanwijzing geven waar deze ooit heeft gestaan, maar misschien ook niet.
Als we proberen de toenmalige (en huidige) omgeving in kaart te brengen, dan blijkt dit sterk te variëren (op basis van Taxandria 2019 1826 p 55 1827 p 66). Het wegenpatroon lijkt op korte tijd te veranderen, ook de situering van de vennen wijzigt grondig.
De plaatsing op de kaarten van de Generale Staf lijkt toch meer in overeenstemming met de huidige en toenmalige toestand van het wegennet. bijv vork in wegen rechts, de positie van de Natte …
In het nog niet gepubliceerde onderzoeksrapport 2021 is er een andere projectie gemaakt van het kamp vanuit de plannen van de generale staf. De kampplaats situeert zich daar precies een goede 100m noordelijker dan op de eerder projectie gemaakt in de jaarboeken van Taxandria 2018-2019. De laatste projectie zou misschien iets meer overeenkomen met de plaats van de kamppaal.. Voorlopig houden we de plaatsen op het traject op basis van de eerste projectie.
Wat nog wel opvalt zijn de heuvels in het noorden; deze overlappen een gedeelte van de tenten van de soldaten van enkele bataljons. Dit zal dan toch wel niet gemakkelijk zijn geweest om daar de tenten te zetten? Misschien was dit geen probleem, want de eerste 100 meter waren er alleen secreten voorzien.
De huidige hoogtekaarten laten nog duidelijk de heuvelstructuur zien in het noorden van het kamp; deze is nu nog ter plaatse te herkennen. De plaats ervan komt overeen met waar deze op het inplantingsplan 1826 zijn te vinden en met de situering van het kamp door Erfgoed in Taxandria 2018, p83.
1b Oriëntering van kamp
De verdere indeling van het kamp is gebaseerd op een organisatieschema dat je kunt vinden in Recueil Militair 1821 (deel 2, p48; uitwerking van het KB) en ook is afgedrukt in Taxandria 2018 p 46.
De vraag is of we het schema van noord naar zuid moeten hanteren op het terrein dwz de frontwacht richting Nederland), of omgedraaid van zuid naar noord…
Voor dit laatste zijn aanwijzingen te vinden:
Bij beperkt archeologisch onderzoek op basis van hoogtekaarten zijn putten gevonden in het noorden van het kamp. Men denkt hierbij secreten gevonden te hebben omdat de putten op regelmatige afstanden van elkaar zijn gelegen. (Taxandria 2018, p 87)
De afstand tussen deze putten wijst echter op meer op secreten van officieren (1 per bataljon, dus ongeveer 150m tussen de putten) dan op deze van soldaten (2 per bataljon)…. en dit zou betekenen dat men in het schema zou moeten omkeren en de onderkant naar het noorden leggen.
Achter de officierstenten aan de noordzijde loopt een brede straat, waarin de paardenstallingen, een sociëteit, een schouwburg, herbergen van de officieren, kantines, de kroegen van de soldaten en allerlei kramen zijn samengebracht. Noordzijde???
Wat is er in het noorden om er een voorwacht te zetten? Turnhout ligt in het zuiden, in het noorden: heidevlakte. Bovendien worden de plannen in den Haag gemaakt, dus...
Maar verschillende elementen ondersteunen de oriëntering van het schema van onder in het zuiden, boven in het noorden.
Bij de verkenning van de kampplaats wordt geschreven dat de rechtervleugel richting Ravels zou komen te liggen, de linkervleugel richting de toren van Wortel. (Taxandria 2018, p 51-52).
In het kamp van 1827 kwam de cavalerie op de linkervleugel van de infanterie te liggen (Taxandria 2019 p6)
In het kamp van Rijen (Verdwenen tentenstad op de hei, kaart p 173) staan de marketentsters het verst van de voorwacht verwijderd.
Bovendien is het niet erg logisch de ambulance en de artillerie onbeschermd voor de voorwacht te plaatsen maar achter je linies. (Taxandria 2018, p 83)
1c Wat valt onder kamp?
Op de kaarten van de Generale Staf (Taxandria 2019 p 54 en 55 kamp 1826; p 66 kamp 1827) en de daarop gebaseerde digitale tekening van het kamp zijn er blokken aangeduid die de ligplaatsen van de verschillende bataljons voorstellen. (Taxandria 2018, p 83) Op de originele tekening zijn de blokken van het kamp 1826 geel gekleurd, deze van 1827 zijn kleiner en oranje.
Wat valt onder deze blokken? Is daarbij het gehele organisatieschema betrokken of vallen bijv. de secreten hierbuiten? Dit zou heel wat verschil kunnen maken.
Als we de afstanden meten op de digitale tekening (de basiskaart), dan is een blok voor een bataljon 150 meter breed en 300 meter lang.
Op het organisatieschema (de kampindeling) staan de afstanden opzij aangegeven. Als we alle afstanden optellen of de schaal hanteren dan is alles, dwz van voorwacht tot secreten van officieren ook 300 meter lang.
Waarschijnlijk zijn dus in de blokken ook de secreten van soldaten en officieren inbegrepen.
2 De aanwezige troepen
2a Het aantal soldaten
In de artikels maakt Fred Stevens een uitgebreide omschrijving van de aanwezigheid en afwezigheid van de verschillende troepen. Dit is mogelijk omdat hij de Staat van Sterkte heeft geraadpleegd. Elke dag moesten de aanwezigheden en afwezigheden gemeld worden en worden doorgegeven aan de hogere instanties. Op de website vind je deze gegevens overgezet in tabellen, om ze meer overzichtelijk weer te geven.
Bij het maken van de overzichten ontbraken er enkele gegevens voor de afdelingen 6 en 16 bij het begin van het kamp (Taxandria 2019, p 71 ev). We hebben deze in de tabel aangevuld met gegevens van enkele dagen later, zodat de totalen van de troepen min of meer betrouwbaar bleven.
2b Waar de troepen gelegerd?
Een bataljon telt ongeveer meer dan 600 soldaten.
Volgens de kampindeling Recueil militair (deel 2 p 43) waren er 48 tenten voor een bataljon voorzien; dit betekent 1 tent voor ongeveer 12 soldaten.
In Rijen (Vergeten tentenkamp op de hei, p43) sliepen 16 soldaten in tenten van 3 meter op 5 meter. Ze lagen geschrankt met voeten naar binnen en deelden per twee één deken.
Op de kampindeling (Recueil militair deel 2 p 43) staan blijkbaar vierkante tenten getekend met als afmetingen 3x3m. Ongeveer 12 man zou men dus nog juist kwijt kunnen, dicht bij elkaar, juist niet gestapeld. Aantal: bataljon 4x12= 48 tenten; 12 per tent – 576 man
2c Hoeveel werden ze vergoed
Voor soldaten in kamp?
In Rijen kreeg een soldaat een dagvergoeding van 25 cent. Daarvan moest hij 10 cent per dag afstaan voor zijn eten. Voor 40 cent kon men een maaltijd bestellen bij de sergeantsvrouw. Officieren aten in de sociëteit of in een koffiehuis, of gewoon buiten het kamp.
Voor soldaten inkwartiering; met en zonder maaltijd, met en zonder paard? (Verdwenen tentenstad op de hei, 73)
In Rijen werd een inkwartiering met eten vergoed met 35 cent per dag, zonder eten kreeg men 10 cent per dag; voor een paard 70 cent per dag. (Verdwenen tentenstad op de hei, p 73, p115) Kreeg de soldaat dan nog een vergoeding?
In Recueil militair deel 2 p 170-171 staan de vergoedingen van mineurs en sappeurs opgesomd. Militairen met een gewone rang ontvingen 30 tot 35 cent per dag
In de kampen 1820-1830 kreeg men per onderofficier of soldaat voor huisvesting en voeding per dag in het kamp 2 stuivers (Taxandria 2018 p 77). Een stuiver was waarschijnlijk 5 cent waard (Widipedia).
https://wiki.muntenenpapiergeld.nl/index.php?title=Stuiver
Door de muntwet 1816 werd in de Nederlanden het decimale muntstelsel ingevoerd. Rekeneenheid werd in plaats van de stuiver nu de gulden van 100 cent. Hierdoor werd stuiver een benaming voor de pasmunt van 5 cent die slechts beperkte betaalkracht had en uitsluitend voor rekening van het Rijk mocht worden aangemunt. In de 19e eeuw werd de stuiver nog van zilver geslagen: op naam van Willem I…. .
Gemini:
In de jaren 1820-1830 was de berekening van de soldij en de inhouding voor de menage (de gezamenlijke pot) een dagelijkse realiteit voor de soldaat. De soldij werd meestal per tien dagen (een decade) uitbetaald, maar de inhoudingen gebeurden op dagbasis.
Voor een gewone infanterist zag de verdeling er gemiddeld als volgt uit:
in 1830 ontving een infanterist 45 cent per dag. Daarvan werd 18 cent ingehouden voor het menage (eten), 12 cent voor kleding en onderhoud en 5 cent voor was en schoonmaak. In totaal hield hij 10 cent per dag over.
3 Enkele onderdelen van het kamp
3a Secreten
Zie hierboven bij 1b.
Op het hoogtemodel zijn de vindplaatsen van de putten aangeduid (Taxandria 2018, p87).
Ik dacht dat ze te situeren zouden zijn tegen de grote dreef aan, waar nu een bosperceel met een poort staat. Dit zou betekenen dat het secreet buiten de kampgrens zou staan. Jef Van Doninck, archeoloog bij Erfgoed Noorderkempen, plaatste deze echter meer naar het zuiden, ong ter hoogte van slagboom nu. Dit zou betekenen dat het secreet aan de grens van het kamp zou staan. Wat overeenkomt met vorige conclusies.
Waar juist de putten werden opgegraven is me nog niet duidelijk gemaakt.
Ook zijn er nog vragen over de vorm van de putten? OP de hoogtekaart lijken ze rond van vorm. Dit is niet geheel in overeenstemming met de richtlijnen in Recueil Militair (deel 2, Taxandria 2018, p 48). Daarin staat dat ze rechthoekig zijn: 4 meter lang, iets meer dan 1meter breed, 2 meter diep.
De afstanden tussen de gevonden komen overeen met officierssecreten, niet met soldaten (zie hierboven 1b) In Rijen stonden de secreten achter de marketenterslinie (Verdwenen tenenstad in de hei, p 173).
Frank: officieren afgedekt?
Het patent op WC-papier is in 1857 in VS aangevraagd; eind 1890 gecommercialiseerd door Gayetty. In de tijd van het kamp waren er wel kranten en catalogi... dus werden de billen afgeveegd met papier… of met een spons? of desnoods met bladeren?? (hazelaar is hiervoor het best geschikt volgens Joeri Cortens)
Volgens de richtlijnen in Recueil Militair werd met de grond die uit de put werd gehaald een heuveltje gemaakt en daarop dennen aangeplant om de gebruiker uit het zicht te houden. Eerst dacht ik dat het heuveltje voor de put, voor het aangezicht van de gebruiker, werd geplaatst. Maar... in Taxandria 2018 p 87 schrijven de archeologen "Rondom de achterzijde werd met het opgeworpen zand een bank gemaakt, waarop jonge sparren werden geplant als schutsel..."
Vergeleken met de kaart van de indeling van het kamp, lijkt dit logisch. Aan de noordzijde is een boogje te zien rond het secreet, dit boogje ligt zuidelijk, dus naar het kamp toe. Als er iemand op het secreet zit, dan zit hij met zijn gezicht naar het lege heideveld en is hij het kamp afgeschermd voor het kamp. Bij de secreten van de officieren ligt het boogje noordelijk, dus ook weer aan de kant van het kamp. Als dit heuveltje achter hem is geplaatst, dan is de gebruiker hier ook afgeschermd van het kamp.
3b De waterputten
Situering van de waterputten is belangrijk. Als er nog iets structureel te vinden zou zijn van het kamp, dan zijn het restanten van de putten. Er zijn er 17 gegraven, met 150 meter tussenruimte. Een probleem bij het terugvinden ervan is dat ze 1 meter onder het grondoppervlak lagen. Tenminste als de interpretatie van de beschrijving juist is. oppervlakte lagen. (Taxandria 2018, p 54-55)
Frank Janssens heeft op basis van een hoogtemodel verschillende coördinaten bijeengebracht van ronde structuren die zichtbaar zijn in het kampgebied.
Geopunt.be digitaal hoogtemodel, skyview factor 0.25 m
Ronde structuren, oude of nieuwe waterputten, tumuli, hokjes?
Coördinaten
51°22'34,67"NB - 4°58'0,18"OL
51°22'42,05"NB - 4°57'53,02"OL
51°22'43,80"NB - 4°58'13,97"OL
51°22'44,31"NB - 4°58'15,20"OL
51°22'44,22"NB - 4°58'16,27"OL
51°23'0,78"NB - 4°58'26,94"O
51°22'57,05"NB - 4°58'36,11"OL
51°22'51,07"NB - 4°58'44,68"OL
Ingebracht op Google Maps valt een deel ervan buiten het verondersteld kampterrein. Er liggen wel enkele punten lijn… (https://maps.app.goo.gl/zUn7fCXT2Q1MED5o7 ).
Dit is verder voer voor archeologen, omdat ze onder het oppervlak liggen en er door anderen niet mag gegraven worden in het terrein.
In 1820 zijn er 17 waterputten gegraven om de 150m (Taxandria 2018, p53); voor het kamp 1827 zijn er twee bijkomende voorzien (Taxandria 2019, p63). Er werd wel gemikt op een kamp van 2.5km.
Er zijn in 1826 10 bataljons en in 1827 13 bataljons aanwezig in kampen met resp een lengte van 1500 en 1800m: hoe en waar werden de 7 overblijvende gebruikt? waarom waren er 2 bijkomende putten nodig?
In 1859 is er een verkoop geweest van een perceel waar nog 8 waterputten aanwezig waren? (Erfgoednoorderkempen bron p23 en Taxandria, 2018, p 85). Is er een plan van en zo ja waar bevindt het zich? Waren ze zichtbaar of zaten ze onder de grond? Waarschijnlijk het laatste, naar analogie met een waterput uit dezelfde periode, gevonden in Kasterlee.
Blijft de vraag hoe men het water vanaf het grondwaterpeil in de pomp kreeg....
Gemini:
Men gebruikte een stijgbuis, ook wel zuigbuis genoemd, die in de put hing en die vacuüm werd getrokken. Ze werd meestal gemaakt van uitgeboorde lange boomstammen, verbonden met ijzeren ringen. Vanaf de jaren 1820 kwam stilaan ook gietijzer hiervoor in aanmerking; maar dit was nog relatief nieuw en duur. Wel raar dat over de buis niet wordt gesproken in de gedetailleerde vereisten aan de aannemer die ze zou plaatsen (Taxandria 2018, p 53-56)
3c Kookgaten
de 3d tekening van Rijen bevat toch aantal fouten vergeleken met de instructies Recueil Militair: de wal errond is veel hoger zodat je de personen niet ziet staan, er zijn twee ketels die gescheiden zijn door een walletje ertussen om de stok waaraan de ketels zijn opgehangen, de ketels staan dieper in de grond
Er zijn 12 kookgaten per bataljon (ong 600 man) dus 1 per ong 50 man; de ketels hebben een ruimte van 75cm; de bank rond de keuken is ongeveer 1.5m op 3m, daar kan ong 12 man aan zitten?
Er zou een muur van 2 meter rondom zijn … van graszoden? Hoe kan men dan 2 meter hoog geraken zonder instorting? Veronderstelling: palen, takken geweven ertussen en opgevuld met plaggen??
Gemini: de eenheid voor het eten was de menage (ong. 12 man) o.l.v. een korporaal. Dit zou overeenkomen met de bemanning van 1 tent. Er waren 4 tenten voor 1 kookgat, in elk kookgat hingen 2 ketels – wil zeggen 2 tenten voor 1 ketel; of misschien 4 ketels en dus per tent een ketel.
3d Tent van de prins
Deze bevond zich midden het kamp.
In 1827 bevond de tent zich achter het interval tussen beide infanteriebrigades.
In Rijen was er een bredere straat (boulevard) voorzien in het midden van het kamp. Daar was ruimte voor de tent. In Ravels was dit op het eerste gezicht minder het geval.
4 De verschillende legeronderdelen
4a Infanterie
De infanterie was uitgerust met geweren, waarschijnlijk model M1815. Dit was een verdere ontwikkeling van een musket. Het had een vuursteenslot, maar bleef een voorlader (waar het kruit van voor in de loop werd aangebracht).
Het bereik van dergelijk geweer was tussen de 60 en 80 meter, naargelang de bron.
Toch werden er geoefend met het schieten op een schijf op respectievelijk 100- 150 en 300 passen. (Taxandria 2019, p77)
De soldaten droegen 3 vuurstenen mee in hun patroontas (Recueil militair deel 1? p 260).
In 1826 werden 125 000 scherpe infanteriepatronen 1/18 en 45 000 losse patronen besteld (Taxandria 2019, p 40).
Hoe werkte dit concreet?
Frank Jansens gaf hierover meer duidelijkheid: Het papieren zakje met kruit werd opengescheurd, 1/4 van het poeder werd op de pan gedaan. De pan werd afgesloten door het staal naar voor te duwen. Dan werd de resterende ¾ van het kruit en de musketkogel langs voor in loop aangebracht evt met een propje met vet. Dit werd met de stok aangestampt. De haan werd gespannen en door de trekker tegen het metaal geschraapt dat achteruit werd gedrukt; zo kwam ging het deksel van de pan en ontbrandde het kruit in de pan; de vonk ging langs het zundgat naar de hoofdlading in de geweerloop.
Onscherpe patronen waren dus waarschijnlijk zakjes kruit, maar dan werd er geen kogel gebruikt. Gebruikte men hiervoor aparte wapens?
Volgens Gemini was in deze periode de overschakeling/ombouw bezig van een vuursteengeweer naar een percussiegeweer. Bij dit laatste werd een slaghoedje, een dopje met ontplofbaar mengsel boven een holle schoorsteen geplaatst; de hamer liet dit mengsel ontploffen en de vlam kwam rechtstreeks in de loop en bij de hoofdlading terecht. De vondst van vuurketsen duidt erop dat waarschijnlijk toch nog vuursteengeweren werden gebruikt, waarschijnlijk model M1815.
4b Artillerie
Hoeveel stuks geschut er aanwezig waren in 1827 wordt niet vermeld.
Er was een batterij rijdende artillerie en een batterij artillerie te voet (veldartillerie).
Deze laatste was mobieler en kon zich tijdens de strijd verplaatsen, getrokken door paarden. De eerste was minder mobiel en werd gebruikt om de vijand te bestoken voordat de strijd losbarstte.
In het kamp 1823 was er een batterij artillerie aanwezig die bestond uit 8 vuurmonden; 6 kanonnen en 2 houwitsers… (Taxandria 2018 p 73-74).
In 1827 was er een veldartillerie en een batterij rijdende artillerie aanwezig. (Taxandria 2019 p 61.)
In 1827 was er een veldartillerie en een batterij rijdende artillerie aanwezig. (Taxandria 2019 p 61.) Op p 62 is de organisatie van batterij artillerie te voet uitgetekend. Op het schema zijn 12 stuks geschut te zien: 8 en 4. De manschappen werden bij de kanonnen gelegerd in het artilleriekamp…
In het artikel van Fred Stevens is ook een plan voor de organisatie van een batterij artillerie te voet (Taxandria 2019, p 62). Daarop zijn 8 stuks + 4 stuks geschut te zien... dus enkele stukken meer dan voordien beschreven.
Frank Janssens was van mening dat er niet geschoten werd door de artillerie op oefenkampen, omdat dit te gevaarlijk zou zijn. Toch zijn er aanwijzingen dat ze toch hebben geschoten:
Taxandria 2018 p 79 kamp 1823 artillerie in actie, paarden schrokken ervan
Taxandria 2019 p 82 tegen einde kamp schietoefeningen door infanterie, artillerie en cavalerie
Taxandria 2019 p 82 manoeuvres van infanterie en artillerie te voet met vuur
Taxandria 2019 p 87 percussie voorzien op rijdende artillerie
Taxandria 2019 p 84 artillerie te voet 30 patronen per stuk
Taxandria 2019 p 87: kolonel List, commandant van de rijdende artillerie, bracht enkele stukken naar het kamp met "système à percussion"; niet nodig om een lont te ontsteken. Hoe werkte dit?
Gemini:
Er werd een slagslot geplaatst boven het zundgat. Dit slot had een zware hamer die onder veerspanning stond. Er werd een slagpijpje verticaal in het zundgat geplaatst, dit reikte tot de hoofdlading. De kanonier trok aan een afvuurtouw, dit sloeg de zware hamer op het buisje, dit deed de chemische vulling in het buisje ontploffen, steekvlam deed hoofdlading kruit in de loop ontploffen.
4c Cavalerie
Het is niet geheel duidelijk hoeveel eskadrons er nu aanwezig waren, er werden 2 oefeneskadrons samengesteld uit 4 bestaande. (Taxandria 2019, p 58)
Betekende dit dat er ongeveer 150 paarden in het kamp verbleven, en de rest werden ingekwartierd in de omgeving.
De organisatie van een kamp van een eskadron artillerie is berekend op 150 paarden (Taxandria 2019 p 62).
De cavalerieplaats op de basiskaart is 150m breed. De breedte van het organisatieplan voor een eskadron is ongeveer 69 meter; dus er konden er twee naast elkaar geplaatst worden.
Beurtelings diende één van de twee eskadrons te kamperen; 4 dagen met de infanterie. Een vierde van de aanwezige troepen zijn 300 paarden?
4c Tactische inzet van de verschillende legeronderdelen (met Gemini)
De infanterie
werd opgesteld in drie rangen. De eerste rang knielde vaak of vuurde staand, de tweede rang vuurde over de schouders van de eerste rang, en de derde rang fungeerde voornamelijk als reserve om gaten op te vullen en wapens te herladen. Meestal hanteerde men het bataljon als eenheid: dwz 600 man/3= lengte van 200 man; of meestal minder: ongeveer tussen 170-200 man. De flankcompagnieën van een bataljon (de jagers of flankeurs) werden vaak uit de hoofdlinie losgemaakt om vóór het front als een verspreide tirailleurslinie (schermutselaars) te opereren.
De artillerie
had als voornaamste doel om vijandelijke formaties (vooral dichte infanterieblokken of vijandelijke batterijen) van grote afstand te bestoken, te verzwakken en de formatie te breken.
Bij de rijdende cavalerie had ieder zijn eigen paard. De kanonnen konden snel worden verplaatst naar de flanken om de cavaleriecharges te ondersteunen met nabijheidsschoten (zoals kartetsvuur).
De cavalerie
wachtte op het moment dat de artillerie of infanterie een bres had geslagen in de vijandelijke linie, om vervolgens met een snelle charge de genadeklap uit te delen.
Artillerie en cavalerie beschermden elkaar.
Bij een cavalerieaanval van de vijand werd vlug een carré gevormd: de pelotons vormden een vierkant van drie rijen dik: de eerste rij plantte hun geweren met bajonet schuin in de grond. Deze vormden een rij spiesen voor de aanstormende paarden. De tweede rij schoot op paarden en ruiters. De derde herlaadde hun geweren. Binnenin het vierkant stonden officieren en gewonden.
5 Het leven in het kamp
5a De marketenters
Officieel is de aanwezigheid van marketenters (marketentsters) erg beperkt: 1 per bataljon (van 600 man ongeveer), en 1 wasvrouw per compagnie. De rest moest toestemming hebben van de chef van staf (Recueil militair, deel 2, p 39)
In de praktijk werd er een hele linie uitgezet, grotendeels met houten barakken voor de verkoop en consumptie.
Wanneer werd er gebruik van gemaakt?
Taptoe, 1u erna moesten de soldaten in de tenten aanwezig zijn (Recueil militair, deel 2, p 30ev)
In Rijen werd om 21u het laatste glas gedronken, om 21.30u volgde het avondappel, om 22u de tentencontrole en werden de lichten gedoofd (Vergeten tentenstad op de hei, p75).
In Ravels mocht na 10u niet meer getapt worden, ook niet in de herbergen in buurt niet (Taxandria 2019 p 83). Het toezicht hierop werd verstrengd na een incident in een herberg in 1827.
Dus in de praktijk mogelijkheid van ong 17u tot 21u; ook misschien op zon- en feestdagen, als de dagindeling anders verliep.
5b De maaltijden
De vraag is wat de troepen te eten kregen bij de maaltijd om 16 uur…
De vivres werden vooraf aanbesteed. In 1827 waren deze vergelijkbaar met de vorige jaren (Taxandria 2019, p 58). Wat opvalt dat er geen groenten en geen aardappelen vermeld werden, wel redelijk wat brood en wat vlees.
In Rijen was de patattenjas een corvee (Vergeten tentenkamp op de hei, p 75). De soldaten kregen om 16 uur een stamppot met heidezand (p72).
Frank Jansens denkt dat er corveeploegen zijn voor het eten te bereiden. Er was een kookkuil per peloton voorzien (12 per bataljon, ongeveer 50 man). De kampen werden in september-oktober gepland als de oogsten binnen waren: de boerenzonen waren beschikbaar, men kon beschikken over voorraden.
Naast de aanbesteding werden de groenten (en misschien aardappelen) gekocht op de markt die in de kampen werd ingericht (wekelijks of frequenter).
Fred Stevens brengt in dat er in die jaren hier nog weinig aardappelen werden geteeld. De boeren aten meestal een stamppot met rapen, de resten van soep, wat kookvlees, eventueel met een stuk brood. Dit zou ook de maaltijd voor de soldaten geweest kunnen zijn.
Frank merkt ook op dat er een hele groep nodig is als support voor de operationele troepen. Deze moeten zorgen voor de aanvoer van goederen, verzorgen van de paarden, enz. Deze zijn wel grotendeels bij de aantallen manschappen ingerekend denk ik…
Onduidelijk blijft: het aandeel van de vivres in de maaltijden, wat met de rest: wat werd er verder gegeten, waar kwam dit vandaan, plaats van markten in het kamp
Gemini:
De vivres werden aanbesteed bij civiele aannemers bestond o.a. uit
munitiebrood (ca 750g per dag): zwaar donker brood (vak rogge gemengd met wat tarwe)
vlees (ca 200-500gr per dag): meestal gezouten rundvlees of varkensvlees; soms vers vlees
jenever
dit werd aangevuld met de menage (de gemeenschappelijke pot); gekocht bij boeren in de directe omgeving van de heide, deze bestond uit:
peulvruchten: grote hoeveelheden droge erwten, bonen en linzen
groenten: vnl aardappelen, uien en wortelen
vetten: boter, reuzel of spek om soep smaak en vullingskracht te geven
Van deze ingrediënten werd een dikke soep of hutspot gekookt, waarin het vlees, de peulvruchten en de aardappelen urenlang stonden te pruttelen.
De maaltijden werden bereid door "koks" die wekelijks aangesteld werden vanuit de groep soldaten zelf.
met Gemini
In de periode 1820–1830 werd in Nederland en (tot 1830) in België betaald met de Nederlandse gulden (f). Eén gulden was onderverdeeld in 20 stuivers, en één stuiver bestond uit 8 duiten (of later 5 centen).
Hier zijn de prijzen van de levensmiddelen uit de vorige antwoorden, herleid naar de valuta van toen:
Basisvoedsel & Groenten
Groenten werden vaak per gewicht (kilo of pond) of per maat (zoals een 'kop' of 'mud') verkocht.
· Aardappelen: ca. 1,5 tot 3 cent per kilo (afhankelijk van de oogst).
· Roggebrood: ca. 7 tot 9 cent per kilo.
· Witte kool: ca. 2 tot 4 cent per stuk.
· Wortelen: ca. 3 tot 5 cent per bos/kilo.
· Uien: ca. 4 tot 6 cent per kilo.
· Gedroogde bonen/erwten: ca. 10 tot 12 cent per kilo.
Vlees & Zuivel
Vlees was een kostbare zaak; één kilo rundvlees kostte bijna een halve dag werken.
· Stoofvlees (Rund): ca. 30 tot 35 cent per kilo.
· Varkensvlees: ca. 25 tot 30 cent per kilo.
· Boter: ca. 40 tot 50 cent per kilo.
· Eieren: ca. 1,5 tot 2 cent per stuk.
Drank (Alcohol & Warm)
· Bier (dunbier): ca. 2 tot 3 cent per liter.
· Jenever: ca. 45 tot 60 cent per liter (een enkel borreltje in de kroeg kostte 1 à 2 cent).
· Koffie (bonen): ca. 60 tot 80 cent per kilo (daarom werd het vaak aangelengd).
Vergelijking met het weekloon
Als we kijken naar een gemiddeld weekloon van f 4,00 (400 cent) voor een arbeider:
roggebrood 5 kg 40 cent 10% van weekloon
aardappelen 20kg 40 cent 10%
jenever 1 liter 50 cent 12.5%
rundvlees 1 kilo 30 cent 7.5%
Samengevat: Een arbeider die een liter jenever kocht, gaf evenveel uit als aan 25 kilo aardappelen. Dat verklaart waarom vlees en sterke drank enorme luxe-uitgaven waren.
Bronnen:
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS): De prijzen van basisvoedingsmiddelen zoals aardappelen en brood zijn direct afkomstig uit de historische reeks Consumer prices; average prices of food, 1800 - 2018.
ISG (Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis): De data over weeklonen en de prijs van jenever en luxe goederen zijn gebaseerd op de loon- en prijsreeksen die worden beheerd door het IISG.
Academisch onderzoek: Voor de context van het bestedingspatroon en de impact van de crisis van 1830 is gebruikgemaakt van publicaties van historici zoals J.L. van Zanden, die uitgebreid onderzoek deed naar de economische ontwikkeling van de Nederlandse landbouw in de 19e eeuw.
5c In hoeverre mochten de soldaten buiten het kamp gaan? Aan de ene kant is er een duidelijke controle, anderzijds zijn er meldingen van ruzies in aanpalende cafés...
Gemini
De bewegingsvrijheid van soldaten was strikt gereglementeerd. Ze mochten enkel buiten het kamp gaan als ze daartoe een verlofpasje hadden of schriftelijke toestemming van hun compagniecommandant. Na de laatste exercitie kon men toestemming krijgen om naar het nabijgelegen dorp te gaan, maar men moest wel voor het taptoe (signaal voor het slapengaan) terug zijn. De soldaten konden wel in het kamp zelf terecht bij de marketenters.
Taxandria 2019 p 83: ruzie in aanpalende herberg om 10u 's avonds, gestraft, daarna patrouilles ter handhaving
5d Waarmee werd er verlicht? was er verlichting in de tenten? niet vanzelfsprekend in een tijd dat er nog geen gasverlichting of elektriciteit was, zeker niet op de verlaten heidevlakte... dus kaarsen, olielampen? in hoeverre werden deze toegelaten?
Gemini
Er werd verlicht met
in de soldatententen: talgkaarsen
buiten de tenten en bij wachtposten: olie- en stallantaarns
bij verzamelplaatsen: kampvuren
in de tenten van de officieren: vaak waskaarsen en olielampen
5d Was er een verschil tussen een gala-uniform en een oefen-uniform? Ik kan me moeilijk indenken dat men ging oefenen in witte broek..
Gemini:
het groot tenue (het galauniform): bedoeld voor parades, inspecties, ceremonies. (zie bijv Taxandria 2019,p 53: lichte dragonders in groot tenue voor inspectie door prins) (Toch vaak ook in het dagelijkse leven op het kamp, cfr tekeningen in boek Rijen p 59ev) Dit bestond uit
de rok (een strakke, donkerblauwe wollen jas),
op het hoofd de shako (een hoge cilindrische viltmuts) cfr boek Rijen, p 71
de broek (meestal wit of grijs) en
versieringen
het klein tenue (het werk- of oefenuniform): bedoeld voor dagelijkse dienst, oefeningen, corvee. Dit bestond uit
de buist of mouwvest (korte grijze of blauwe jas zonder lange panden)
de veldmuts (kwartiermuts (zachte stoffen muts)
de broek (grijs linnen of wollen)
langere slobkousen
Taxandria 2019 p 70: de gewone tenue bij oefeningen bestond uit een vest met mouwen en een grijze pantalon
boek Rijen p 115 prent schuttersbivak: sommigen groot tenue, andere klein tenue